Lied & rijm op het ijs

"Elfstedenwals''.
Onderstaand lied, geschreven en vertolkt door de schaatsliefhebbende band "Les Chats Cadiens" uit Delft.
Staan de bloemen op de ruit
Ben ik er 's ochtend als eerste uit
'k Glij voor de wind als een vogel zo vrij
Door de polders, over een meer
Bij een koek-en-zopie strijk ik neer
En daar vraag jij, dans de Elfstedenwals met mij
Dat strakke 'zjiet.!' , 'zjiet.!'
Mooier geluid bestaat er niet
In kadans naar die kerktoren toe
Een boerenbrug onderdoor
En daarbij fluister ik in je oor:
'Jûn dûnsje wy de Alvestêdewals' (at dat ris wêze koe)
't Wordt opnieuw rond min acht
Luidt de verwachting voor vannacht
Er komt voorlopig geen eind aan de kou
't Is nu nog nét niet vertrouwd
Maar als morgen het ijs wél houdt
Dan dans ik de Elfstedenwals met jou

"Anti-Fries''.

Onderstaand lied, van Driek van Wissen gaat in op de Elfstedenhype, die steevast bij temperaturen onder nul graden opkomt.
Als Holland winters is getooid
en wij van kou welhaast verrekken,
blijkt Friesland dichtbevolkt met gekken,
die 's winters gekker zijn dan ooit.
De maffe koppen, strak gelooid,
ontspannen plots in losser trekken
terwijl zich rond de stuurse trekken
een soortement van glimlach tooit.
In onverstaanbare gesprekken
worden dan praatjes rondgestrooid
die ijdele verwachting wekken.
Totdat de goden, als het dooit,
de hoop der dwaze halzen nekken.
Nee, de Elfstedentocht komt nooit!

Elfstedentocht
Drs. P
Natuurlijk is Drs. P. wel een ingegaan op de Elfstedenhype, offie nou komt of nie.
Terwijl ik deze regels schrijf
Omgeven mij de fletse dampen
Van een veredelingsbedrijf
Ik heb met ademnood te kampen
En tranen branden in mijn ogen
Als een verterend vocht
Is het chemie of mededogen
O, mijn Elfstedentocht
Zwaar leunt de toekomst op het land
Het water sabbelt aan den oever
En deponeert een taaie rand
En ik word zienderogen droever
Dit land waar ik in het verleden
Mijn toekomstdromen vlocht
Des winters werd er schaats gereden
O, mijn Elfstedentocht
Ja, ieder jaar was het hier koud
Het water wekenlang bevroren
De kind'ren zochten sprokkelhout
Vergaarden afgevallen oren
En stonden in de donk're uren
Als het van Moeder mocht
Hun winterhelden aan te vuren
O, mijn Elfstedentocht
Zelf heb ik ook eens meegedaan
Al was mijn rijstijl wat krampachtig
Ik kwam zowaar behouden aan
En bij de eerste honderdtachtig
Nu ben ik minder onvermoeibaar
Mijn schaatsen zijn verkocht
En dan, het water blijft maar vloeibaar
O, mijn Elfstedentocht
Terwijl ik deze regels schrijf
Zie ik die schimmen langs mij jagen
Om met hun wil en vege lijf
De elementen uit te dagen
Nu heersen nieuwe, boze krachten
Door mensenhand gewrocht
Wat staat ons alles nog te wachten
O, mijn Elfstedentocht
Ingebracht door : Marcel Warnaar

Elfstedentocht
Herman Finkers
Voor Herman Finkers kan 't vriezen of dooien.
Steeds als er vorst is denkt de Fries: vorst
En controleert het water op de dikte van de korst
Koorts in elf steden. Kan de tocht gereden?
Het antwoord komt vanzelf, van de raad van elf
De elfstedentocht, zo verknocht, aan Berenburg, Berenburg
Opa Nauta heeft de tocht ooit eens gemaakt
In alleen een onderbroek en verder poedelnaakt
'k Ben speciaal vertrokken, kleumde hij, want ik ben al oud
In een lange onderbroek en nog heb ik het koud
De elfstedentocht, in de bocht, met Berenburg, Berenburg
Tjibbe, Sjoerd en Wibbe die zouden het wel rooien
Tjibbe, Sjoerd en Wibbe die zaten mooi te klooien
Zijn in een wak gereden, volledig overleden
Zo heb je 't over Friezen, zo heb je 't over dooien
De elfstedentocht, door de bocht, met Berenburg, Berenburg
Over dooi gesproken: in wereldoorlog twee
Werd hij vaak gereden, het weer zat vreselijk mee
Een koude oorlog, dat is waar, drie schaatsers vroren dood
Was toen niet zo een bezwaar: het ging van de grote hoop
Ingebracht door : Henk Metselaar

Schaatserslied
Hans Dorrestijn

En wat heeft Hans Dorrestijn over de winter te zeggen?
Zie, het meer ligt strak bevroren
Al het water is nu ijs
En onder een grijze hemel
Klinkt een held're pitt'ge wijs
Het is de wals der schaatsenrijders
Op een ijsbaan altijd prijs
De baan is overvol met schaatsers
Niet iedereen rijdt even vlug
Daar gaat er een met brede slagen
En zijn handen op zijn rug
De baan rond kost beginners uren
Hij is in twee minuten terug
Daar bindt een kind de schaatsen onder
Paars van koude ziet zijn hand
Hij trekt en trekt en krak! Ach, hemel
Daar breekt hij zijn schaatsenband
Ja, dat is nu minder prettig
Je vernikkelt aan de kant
Daar schaatst iemand in zijn eentje
Ver, ver weg van het gewoel
Waar hij gaat zijn nog geen krassen
Dat geeft een pioniersgevoel
Er zitten kleine witte parels
In de ijsvloer, zwart en koel
Prachtig is dat donk're ijs toch
Waar hij gebogen voorwaarts schiet
Pas toch op! Rij om dat wak heen
Wat te doen? Hij luistert niet
Dat geeft voor zijn familieleden
Weer veel zorgen en verdriet
Er valt een vlokje, het gaat sneeuwen
Je ziet niets meer in de vert'
In de schemer trekt men huiswaarts
Menigeen die hong'rig werd
Hij ziet verlangend uit naar hutspot
Met klapstuk of naar de kluiven in de snert
Thuis tilt hij deksels van de pannen
En als hij straks aan tafel zit
Is er geen ijsbaan en geen wak meer
Alles kleurt de sneeuw lijkwit
Ingebracht door Marcel Warnaar

Een winter van grootvader
Jan Elemans
Dat was nog eens een winter.....
De put dicht, de aardappelen bevroren
bunzings in het kippenhok
de tafelpoten elke morgen verder aangevreten door de ratten.
Wilde zwijnen verlaten de bossen
komen in dit ontij de rivier over, dringen schuren binnen
springen de zachte societyzeugen op hun blote bast
de gestreepte biggen vriezen bij tomen
aan mest en moeder vast.
Buiten pist een zwarte boer een vloek in de sneeuw, leest, huivert,
bergt het warme ding weer haastig op tegen de vorst.
Binnen zitten de vrouwen in hun winterjas
op de plattebuis durven niet meer naar de plee, hurken
voor elke plas niet langer dan nodig is boven de schuifla met hete as.
In bed is elke vorm van liefde onmogelijk
wie stelt zich bloot aan zo'n kou?
men wast zich niet meer, door de lang aanhoudende vorst
heeft menige boer geen heugnis meer
aan de blote kont van zijn vrouw
toch is die meer dan welk sermoen een prikkel tot huwelijkstrouw.
Het vriest dat het bed kraakt, liefde is onmogelijk onuitvoerbaar
men kruiptdichterbijelkaar, tast met koude voeten de grenzen af
waarbinnen samenleven nog doenlijk is
zelfs pas gehuwden geven toe
met z'n drieën in bed is beter dan met z'n tweeën
tussen meer dochters is het beter slapen
zegt menige vader dan naast één vrouw.
Vrijgezellen huwen hals over kop met de gevoerde handschoen,
geld stand godsdienst tellen niet meer
de dikste meisjes de heetste zijn het meest gezocht
niet de beste niet de braafste.
Het wijwater in de tinnen bakjes stolt tot ijs, de kerken blijven leeg
pastoors vriezen met duim en wijsvinger vast
wagen zich niet meer in het onderkoelde koor
van hun kerk en trekken zich terug
in het klokhuis van de pastorie en slapen bij de meid
zich beroepend op noodweer terecht
en vieren hun bruiloft met miswijn.
Over de rotzooi toen het ging dooien
heeft grootvader mij nooit iets gezegd.


|